Geschreven door een lid die begon in 1965:
“MIJN JAREN BIJ PADVINDERSGROEP (SCOUTING) MENNO SIMONSZ, GROEP 25, IN HAARLEM:
Op initiatief van de jeugdpredikant, dominee E. Frater Smid, van de Doopsgezinde Gemeente van Haarlem, werd op 9 juni 1945 een padvindersgroep opgericht. Zijn planen voor een “nieuwe koers” waren op de padvinderij gericht. De oorlog was afgelopen en de jeugdverenigingen schoten uit de grond. Aanvankelijk waren er te weinig leidsters en leiders om de jongens (ja, de groep begon ooit alleen voor jongens) op te vangen. De ruimte waar de groep in die dagen gebruik van kon maken, was de voormalige biljartkamer van Burgemeester Boreel van Haarlem, in de Doopsgezinde kerk aan de Peuzelaarssteeg in het centrum van Haarlem.
Het eerste groepshuis, dat de groep daarna ter beschikking stond, was het oude buiten “Wildhoef” aan de Kennemerlaan in Bloemendaal. Van dit bijzonder grote huis heeft de groep slechts korte tijd plezier gehad. Toen het echter werd verlaten, begon een overtocht langs zolders, kelders en schuren. En er was zelfs een periode zonder onderkomen. Wegens gebrek aan leidsters en leiders de troep (de groep verkenners) eind 1952 worden opgeheven. De hopman moest in militaire dienst en zijn twee assistenten gingen verhuizen. De welpenhorde heeft het langer kunnen volhouden, maar moest in 1957 helaas ook worden opgeheven. Daarmee was voorlopig een einde gekomen aan het voortbestaan van de groep. Tot die tijd waren er vele hoogtepunten, talrijke goede zomerkampen en hebben honderden jongens genoten van het spel van verkennen.
In oktober 1963 zag men kans om met een welpenhorde de Menno Simonsz Groep opnieuw op te richten. Een Akela was gevonden en een oproep in het kerkblad en in een van de Haarlemse kranten, was genoeg om op de eerste middag 6 jongens in te schrijven. Nadien heeft de horde, voor jongens van 8 t/m 11 jaar, zich bijzonder goed ontwikkeld. Dat leidde ertoe dat half februari 1965 de groep groeide met een groep verkenners, de troep. Tot 1965 had de groep nog steeds geen eigen clubhuis.
in 1965 was ik 11 jaar oud en maakte via een vriendje kennis met de padvinderij. Hij woonde destijds volgens mij aan de Klopperssingel. De opkomst was in een speeltuingebouwtje achter het Plesmanplein (dit is vlakbij ons huidige clubhuis). Later werd de Daaf Geluk school op die plek gebouwd.
Mijn eerste uniform met kriebelkousen en een groen petje herinner ik mij nog goed. Omdat ik al 11 jaar was, voor de welpen aan de oude kant, vloog ik na mijn eerste zomerkamp in Ugchelen over naar de verkenners. Dit vond plaats in een duinterrein aan de Hoge Duin en Daalseweg in Bloemendaal.
op 18 september 1965 begon mijn verkennerstijd en nadat ik de installatie eisen met goed gevolg had afgelegd, werd ik op 29 januari 1966 als verkenner geïnstalleerd. Als clubhuis diende een voor afbraak bestemde woning, aan de Rijksstraatweg, nr. 289, op de hoek van de Planetenlaan. Later zouden we zeggen dat het een kraakpand was. Hopman Loogen, werkzaam bij de gemeente, had voor de groep geregeld dat we het in bruikleen kregen van de gemeente. Het was een ontzettend leuke tijd. De 3 patrouilles hadden ieder hun eigen kamer. Mijn patrouille, de Zwaluwen, had een kamer met balkon aan de voorzijde. In de zomer was het een feest om daar te staan met de NZH bussen met open dag, die vlak langs reden. In 1966 werd de troep aangevuld met een aantal verkenners van de Eerste Santpoortse groep, die gedeeltelijk werd opgeheven. Een van die nieuwe verkenners is op jonge leeftijd overleden en ter nagedachtenis is er een eiken blad te zien op het houten “Menno Simonsz bord”. Dit is destijds met de hand uitgesneden door een van de ouders.
In die jaren werden achter de schermen reeds de voorbereidingen getroffen voor de bouw van een eigen clubhuis aan het Melkerijpad in het Noordersportpark. De bouw rondom een voormalig pomphuisje werd gestart en op 24 mei 1968 werd het houten clubhuis in gebruik genomen door de horde en troep. Om de bouw te realiseren steunden diverse instanties, waaronder de Doopsgezinde kerk, de groep financieel. Er werden zelfs groepsobligaties uitgegeven, welke door vele ouders werden gekocht. De toenmalige wethouder Voskuilen ontstak het eerste kampvuur bij de opening. Later zouden er uiteraard nog vele kampvuren volgen, waarbij de brandweer ook wel eens langskwam. Voor mij als verkenner was het een hele verandering. Aan de Rijksstraatweg, het oude kraakpand, konden we heerlijk keten en rommel maken. Het nieuwe clubhuis moest netjes blijven.
De introductie van een nieuwe Vaandrig (de 2e man, na de Hopman) in de troep was een heel bijzondere. Er was een spel waarbij we met z’n allen een smokkelaar moesten opsporen. De smokkelaar was een vreemde man, die we toen nog niet kenden. Op een gegeven moment hadden we hem bijna gevonden. Maar om te ontsnappen sprong hij pardoes in het water van een duinmeer. Dit was achter Westerveld in Driehuis; wij hadden het nakijken. Later zagen we dat hij kletsnat achterop de brommer van de Hopman naar het clubhuis werd gebracht. Deze smokkelaar was via een Leidse padvindersgroep in Haarlem terecht gekomen. Jaren later werd hij ook nog de penningmeester van de groepsstichting.
De troep kende diverse hoogtepunten, waaronder de eerste plaats bji de districtswedstrijden en

